het wachtwoord

Ik had hem er al eens mee geconfronteerd. Met de samenstelling van dat wachtwoord. Ik zag er wel degelijk een patroon in. Initialen uit codetaal. Haar initialen. Gevolgd door een jaartal. Het jaar van de professionele split.

Nee, zei hij. Daar hoef je echt niets achter te zoeken. Heb ik zomaar lukraak gekozen.

Dat was vier jaar geleden. Ik twijfelde. Zag ik weer spoken die er geen waren? Tot ik niet zo lang geleden haar IG-account zag. Dezelfde vier letters als in het codewoord. Wat een hoogsteigenaardig toeval. Niet dus. Het spook is geen spook. Het is echt. Levensecht. En mijn wantrouwen terecht. Het staat er zwart op wit. Alleen … wanneer confronteer ik hem ermee? Of laat ik het rusten? De relatie is geëvolueerd naar zo goed als louter professioneel. Wordt me gezegd.

In mijn dromen blijft het spoken. Het wantrouwen sluimert … .

codetaal

Het was één van de eerste boodschappen die ik vond. In een schriftje, tussen de boekhouding van de maand. Het duurde even voor ik de code kon kraken. Onmiddellijk popte de vraag: waarom schrijf je dit op? Waarom vind je dit de moeite om te bewaren? Ik heb er maar één verklaring voor. Infatuation. En het was niet de enige. Bladzijden whatsapp berichten in codetaal werden bewaard. Knuffels en smileys vlogen heen en weer en dan maar beweren dat er niets aan de hand was … Ik geloof het niet. Nog altijd niet.

30/10 18:03 ah j, knffl trg; hb l hlml wrm n ! s wl vlgr zo, ni? k fn vrlf & tt ::: 🙂

ah ja, knuffel terug, heb al helemaal warm nu, is wel veiliger zo, ni? ook fijn verlof en tot …

31/10 14:32 hb nw v Brwn, j mg k lzn 1 nw XIII grtjs 🙂

heb nieuwe van Brown, je mag ook lezen en nieuwe XIII

van hem aan haar

Een schok was het. Niet minder dan dat. Meer dan dat. Een aardbeving. Het besef dat je zelfs na al die jaren je geliefde niet kent. Dat hij er een verborgen leven op na hield en nog houdt. Een emotionele wereld die je buitensluit. Tot je op een winterse dag bewijs vindt. Een brief. Van hem naar haar. Of hij haar ooit bereikt heeft, wist ze niet. Weet ze nog altijd niet. Maar hij is er. Zwart op wit. En dit is hoe hij gaat.

Liefste

Lang geleden dat ik nog een nieuwjaarsbrief geschreven heb. Dat moet in 1971 geweest zijn voor de wensen van 1 januari 1972. Drie brieven. Liefste ouders, liefste peter, liefste meter. Voor de grootouders geen aparte brief. Wel (drie, vier)dubbel gebruik van die van de ouders. Wat ik toen allemaal heb voorgelezen weet ik ni meer, alleen dat het ging

over ‘weeral een jaar voorbij’,

over ‘dank u wel wat ik allemaal van u gekregen heb dit jaar’,

over ‘hoe ik mijn best ga doen het volgende jaar’

over ‘wat ik jullie toewens’,

om af te sluiten met:  ‘je (klein)zoon, petekind’ met de datum van voorlezing. (waarna algemeen handengeklap, hilariteit en flauwe grappen van nonkels en tantes enz.)

Voor deze nieuwjaarsbrief gebruik ik de indeling van toen. Voor de rest lijkt hij niet – of misschien toch een beetje- op toen. En hij is al zeker niet bedoeld om voor te lezen.

Weeral een jaar voorbij …

En wat voor een jaar. Het jaar waarin de Amarylis in mijn binnenste – laat me dat beeld maar even gebruiken – te groot werd, ging omvallen met mij erbij en ik hulp nodig had om hem onder controle te houden.

Nu ja, het was wel wat mijn eigen fout. Ik had hem al een hele tijd ontdekt, die Amarylis, en aanvankelijk wist ik niet goed wat ik er mee aan moest. Ik wist alleen dat hij er kwam door jou en ik had er ook onmiddellijk sympathie voor. Hij was zo klein en tegelijkertijd zo mooi, dat ik hem ging verzorgen. En hij werd groter en mooier, heel geleidelijk aan, en ik ging me eraan hechten. Dat zorgde voor prachtige momenten – als hij mooi stond – maar ook voor angst en pijn – als hij dreigde te verwelken, en dat gebeurde soms. Maar al bij al bleef hij stilletjes groeien en na nog een moeilijk moment in het begin van dit jaar brak hij plots door en werd hij met de dag groter.

Toen had ik best ingegrepen, omdat hij zo snel zo groot werd, maar eerlijk, ik had er geen ervaring mee en bovendien, je had hem moeten zien, zo mooi, ik werd er alleen maar blijer van. Geen denken aan dat ik hem zou wegdoen.

Al vlug kreeg ik echter in de gaten dat die Amarylis mij boven het hoofd groeide en dreigde om te vallen, met mij eronder . Ik kon hem alleen niet meer aan. Ik had je er al lang over willen vertellen, maar nu kon het niet langer wachten.

Uiteindelijk was ik opgelucht dat je hem zelf had opgemerkt. Je zag het gevaar en greep onmiddellijk in. De bloemen (nog in de knop) moesten eraf. Met pijn in het hart gaf ik je gelijk. Ik had ze zo graag ooit gezien, die bloemen, maar ze zouden me overweldigen, mij en – veel erger- misschien jou erbij.

Nu is hij er nog steeds, even mooi als vroeger, met vele blaadjes, maar goed ondersteund zodat hij niet kan vallen en (voorlopig) zonder gevaar dat hij door een forse bloei uit evenwicht zou geraken.

Ik ben er blij mee en blijf hem soigneren. Stel je voor dat hij in een ander seizoen opnieuw wil bloeien … dan roep ik je wel!

Dank je wel wat ik allemaal van je gekregen heb dit jaar …

Wat ik van je gekregen heb, dat kan ik niet allemaal opnoemen.  Ik kan het enkel samenvatten met woorden als ‘warmte’ en ‘vertrouwen’ en ‘troost’ en ‘begrip’ en ‘vriendschap’.

Maar ik denk dan spontaan aan Scherpenheuvel en aan warmwaterkruiken en aan gedichtjes en aan boekjes en aan dikke boeken en aan liedjes en aan een knuffel terug en aan troost-smsjes (als ik ze ni verwachtte) en aan verrassingstelefoontjes en aan leuke babbels en aan hoe je naar me bleef luisteren …

Dank je wel!

‘hoe ik mijn best ga doen het volgende jaar’

Moeilijk punt in de brief, ook in die van 1971. Want nu komen de beloftes die je meestal niet kunt waarmaken. Daarom staat er ook ‘mijn best doen’!

Awel, waar ik geen moeite mee heb om te beloven is dat ik die Amarylis in mijn binnenste niet ga uitdoen of zelfs maar verplanten. Integendeel, ik ga hem goed verzorgen, zodat hij zoveel mogelijk verschillende blaadjes krijgt.

Moeilijker vind ik het – maar ik zal er mijn best voor doen – te proberen je niet al te vaak te laten weten dat hij er nog altijd is en je te vragen wat jij daarvan vindt. Ik zou zo graag ooit weten of er bij jou ook zo’n plantje is ontkiemd.

‘wat ik je toewens’

De hemel op aarde!

Je Amarylis-teler

18/12/2009

verjaardag

Haar naam was het eerste woord aan de ontbijttafel. Vandaag is ze jarig, zei hij. Dat wist zijn vrouw na bijna dertig jaar wel. En ook al doet hij alsof het tussen hen voorbij is, toch blijft ze in zijn gedachten dolen. Dollen. Poppen.

Het verdriet slaat in haar gezicht. De kramp valt te lezen. Maar ze van je af schrijven helpt, zegt men. Zij en haar kramp telkens ze die verdomde naam hoort. Schrijven is helen, zegt men. Maar ook telkens weer een beetje lijden, denkt ze. Hoe lang nog? Wanneer is het slijten voorbij? Of werkt het zo niet?

De dag begon dus in mineur. Het regende en de stormwind raasde door het land. De hoge bomen achter hun tuin sloegen vervaarlijk heen en weer. Als schommels. Slingers. Heen en weer. Door mekaar geschuld. Telkens weer.

turbulentie

zo stel ik me turbulentie voor

op een lange vlucht

een lichte schommeling

wordt hevig schudden

heen en weer

een luchtspiegeling?

een val?

een zwerm gevaar?

paniek

zwelt aan

controle

kwijt

een

zware bui

dreigt en blijft

hangen

ik tril

gissend

naar de oorzaak

of de stappen die

gezet zijn

hoeveel berichten

heen

en weer

wachtend

en vertrouwend

op mijn

piloot

en dan

een zucht van opluchting

als gevaar is geweken

en evenwicht herwonnen

op een lange vlucht

vooruit

a more loved one

Het stond er wit op rood. Ik wil je. Een ideaal geschenkboek voor geliefden. Met tekeningen die er geen doekjes om wonden. Gekocht op de Boekenbeurs in 2012. 7 jaar geleden dus. Zij was toen niet mee. Dat wist ze wel zeker. En dit boekje had ze nooit eerder gezien. Hij had er voor ook nooit iets uit geplukt. Het was niet voor haar bedoeld.

Ik wil je.

De letters staarden haar meedogenloos aan. Snoerden de keel. Pompten haar bloed rond aan een duizelingwekkende snelheid. Die je was zij niet. Een ander dus. Een zij die hij het liefst voor iedereen behalve zichzelf verborgen hield.

Toch hoefde ze niet na te denken. Ze wist het meteen. Want er waren al langer roddels. En jarenlange ontkenningen. Nadrukkelijk. Té nadrukkelijk de laatste keer. En dit was het bewijs dat waar rook is uiteindelijk ook vuur is. Haar buikgevoel had het van bij het begin bij het rechte eind. Dit was geen gewone vriendschap of een boontje voor. Dit was verlangen. Ook lichamelijk. Omheen jouw bekken … Daar hoefde zelfs geen tekening bij.

Langzaam zakte ze neer. Uit zichzelf gepeld. Een hoopje schroot op de koude novembervloer.

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag